Het Heilig Aanschijn

Wij Karmelbroeders en zusters, proberen het werk van zuster Maria van de H.Petrus voort te zetten door dagelijks eerherstel te brengen aan het H. Aanschijn.Wie is zuster Maria van de H.Petrus?

HAAR JEUGD

Het is aan het katholieke Bretagne dat wij Zuster Maria van St. Petrus verschuldigd zijn. Zij werd geboren te Rennes, op 4 October 1816. Men noemde haar bij het Doopsel Franciska-Perrina: namen, die aan haar vader en haar moeder herinnerden. Haar vader, Petrus Eluere, slotenmaker van beroep, was met Franciska Portier gehuwd, die hem twaalf kinderen schonk. Deze twee echtgenoten waren beide ijverige christenen. De vader woonde elke morgen de H. Mis bij, ging iedere avond het H. Sacrament aanbidden, en vond gedurende de dag nog tijd om te bidden; hij leerde aan zijn dochter de oefening van de Kruisweg. De moeder prentte haar een groots godsvrucht in voor de H. Maagd. De kleine Perrina was dikwijls ziek, en van een nog al moeilijk karakter; maar, dank zij de leiding van haar brave ouders, wist zij vroegtijdig zich te overwinnen, en over al de gebreken van haar leeftijd te zegepralen. Zij vatte van toen af aan een hevige afschrik voor de zonde op, en verweet zich bitterlijk haar minste onvolmaaktheden. Haar oudste zuster, verraste haar eens, geheel alleen in tranen, vroeg haar naar de oorzaak; zij antwoordde onschuldig: “Ik beween mijn zonden!” Op een andere dag ging een slecht geklede arme blinde voorbij; hij had, bij het veranderen van de straat, een liefderijke hand nodig, om hem op de goede weg te brengen. Een geheime aandrang waarschuwt het kind, dat er hier een middel is om haar eigenliefde te breken. Zij neemt spoedig de goede man bij de arm, en hem de hand gevende, leidde zij hem, waar hij wilde gaan. Wanneer haar iets tegenstond, zich aanbood, redeneerde zij niet, maar zei zachtjes: “Mijn God! ik offer U dit op tot uitboeting van mijn zonden.” Zij duchtte zodanig de schijn van kwaad, dat zij, acht jaar oud, enige ongerustheid hebbende over een leesboekje dat men haar geleend had, zij het naar de Pastoor van de parochie bracht, om zijn oordeel er over te vragen. En toen zij van hem vernam, dat zonder slecht te zijn, dit werk toch lichtzinnig was, gaf zij het dadelijk terug, en las er zelfs de eerste bladzijde niet van. De herinnering aan de smarten van Onze Heer trof haar levendig. Zij dacht dat haar zonden oorzaak waren van Zijn pijnen; beschaamd en berouwhebbend zei zij: ,,O mijn Verlosser! Hebt gij ten minste gezien, gedurende uw Lijden, dat ik mij eens zou bekeren, en geheel aan U zou behoren?” Zij deed dikwijls de Kruisweg, bij iedere statie kuste zij de grond. Doch haar heersende neiging was het inwendig gebed. In het begin toen zij er nog niet mee bekend mee was, verrichtte zij haar gebeden innerlijk met aandacht, wachtende dat God haar deze heilige oefening zou doen kennen. Dit bleef niet uit. Zij was slechts tien jaar oud, toen zij een preek over dit onderwerp hoorde. Dit was voor haar een lichtstraal, die haar geest en haar hart opende, en haar weldra bedreven maakte in deze wetenschap der heiligen.

Twaalf jaar oud, had Perrina het ongeluk haar moeder te verliezen. Evenals de Heilige Theresia op dezelfde leeftijd en in dezelfde omstandigheid, ging zij zich werpen aan de voeten van Maria, en vroeg de verhevene Maagd: haar tot moeder te zijn in plaats degene, die haar pas ontnomen was. De Koningin des hemels nam inderdaad deze onschuldige ziel aan, en gaf haar geheel haar leven de duidelijke bewijzen ervan. Daar haar vader met een talrijk huisgezin belast was, vertrouwde hij haar aan twee van haar tantes, personen van grote godsvrucht, die een werkwinkel van jeugdige werksters bestuurden. Daar maakte zij nieuwe vorderingen in de deugd, werd het voorbeeld van haar gezellinnen, en diende zelfs aan enige als leermeesteres in het inwendige leven, trachtende haar het gebed te doen beminnen en beoefenen, om meer met God verenigd te zijn. Zij nam ook alle gelegenheden te baat, om zich aan werken van barmhartigheid toe te wijden, zoals het verzorgen van de armen, het bezoeken van zieken, het bijstaan van stervenden. Naast de meester slotenmaker Eluère had zich een behoeftig huis- gezin komen vestigen bestaande uit drie personen: de vader, een dagloner, de vrouw die blind was, en een kleine jongen van vier of vijf jaar. Het jonge meisje Perrina zag in hen een beeld van de Heilige Familie van Bethlehem, trok zich hun lot aan, en bewees hen alle zorgen, die hun armoede nodig maakte; zij bezocht hen dikwijls, onderwees hen in de godsdienst, leerde hen te biechten, en herstelde de vrede in het huishouden als deze verstoord was. Enige tijd daarna, zich toegewijd hebbende aan het verzorgen van een arme zieke jonge vrouw, zag zij haar de geest geven in haar armen, ontving haar laatste zucht, en aarzelde niet haar met in het doodskleed te wikkelen, niettegenstaande de vrees voor de dood, die zij nog nooit zo nabij gezien had.

Een ogenblik echter was deze zo zuivere ziel op het punt zich te laten verleiden door de ijdelheden van de wereld. Zij verflauwde eerst, en was onvoorzichtig genoeg aan ‘s werelds gezindheid enigszins toe te geven. God strafte er haar voor. Door haar berouw gedwongen, en als congreganist zich moetende voorbereiden voor een feest der Heilige Maagd, hield zij een goede en ernstige afzondering. Zij voelde toen de inwendige drang van de genade, en kwam geheel veranderd uit deze oefeningen. Zij besloot meer dan ooit geheel en al aan God te behoren. Terzelfder tijd ontwikkelde zich de neiging tot het kloosterleven, die reeds bij haar was opgekomen. Zij maakte er het enigste voorwerp van haar gedachten en van haar vurigste verlangens. Tenslotte legde zij zich een vasten op en maakte bedevaarten ter ere van de Heilige Maagd en van de H. Jozef. Zij richtte zich ook tot de H. Martinus, de beroemde bisschop van Tours, voor wie zij een grote godsvrucht had, hem smekende haar in zijn diocees als kloosterzuster te ontvangen, hoewel zij toen nog niet wist, dat er zich Carmelitessen in bevonden.

Evenwel werd zij door grote verwarring verontrust. Haar biechtvader, die een man Gods was, wilde haar beproeven; hij deed haar gedurende vijf jaar talrijke en pijnlijke vernederingen ondergaan. Omtrent het einde van die tijd kreeg zij de ingeving een bedevaart te maken naar een beroemde kapel van de Heilige Maagd, in de omstreken van Rennes. O. L. V. de la Pleinière. Daar erkende zij duidelijk dat God haar riep om hem te dienen door de beoefening van de kloostergeloften. Alle haar verlangens richtten zich naar de Carmel. Haar biechtvader, integendeel, scheen te willen dat zij zich bij de hospitaalzusters zou aanbieden. Maar toen zij van haar bedevaart terug kwam, deed Onze Heer haar, na de H. Communie, inwendig deze woorden horen; ,,Mijn dochter, ik bemin U teveel, om je nog langer in uw verlegenheden te laten, gij zult geen hospitaalzuster zijn, dat is niets, als een beproeving. Men houdt zich bezig met uwe ontvangst, gij zult Carmelites worden.” De inwendige stem herhaalde zich verscheidene malen: “gij zult Carmelites zijn“; en zij geloofde zelfs dat de laatste maal deze stem er bijvoegde: ,,Carmelites te Tours.” Inderdaad, zonder het haar te doen kennen, had haar biechtvader haar voorgesteld voor de Carmel in Tours.

Groot was dan ook haar verwondering en blijdschap, toen zij hem hoorde zeggen: ,, mijn dochter, gij zijt aangenomen bij de Carmelitessen van Tours!“ Toen vertrok zij van Rennes op 11 November 1839, onder de bescherming van de H. Martinus, die zij niet vruchteloos had aangeroepen. Haar deugdzame vader, die haar zelf had aangespoord, wilde haar vergezellen; zij was drie en twintig jaar.

DE ZENDING van Zusters van de H.Petrus

Deze zending, waartoe de genade haar heimelijk voorbereidde, sedert de vier jaren dat zij in de Carmel leefde, zou haar door Onze Heer zelf opgedragen worden. Het was de 26 Augustus 1843, de dag na het feest van de H. Lodewijk, koning van Frankrijk. De zuster deed haar avondgebed aan de voet van het kruis. Toen de Zaligmaker haar zei:

”Ik heb uw zuchten gehoord, ik heb de wens gezien die gij mij hebt te verheerlijken. Mijn Naam wordt, overal gelasterd, zelfs de kinderen spreken godlasteringen uit. Die verschrikkelijke zonde kwetst mij, pijnlijker en meer dan alle anderen, mijn goddelijk Hart; door de godslastering vervloekt de zondaar mij in het aangezicht, valt mij openlijk aan, vernietigt mijn verlossing, en spreekt zelf zijn veroordeling en zijn oordeel uit. De godslastering is een vergiftige pijl, die aanhoudend mijn hart verwondt. Ik wil u een gulden schicht geven, om mij heerlijk te verwonden, om zo de wonden van boosheid te helen die de zondaars mij slaan”. — En Hij zei haar het volgende gebed voor:
“Dat de allerheiligste, alleraanbiddelijkste ongekende en onuitsprekelijke Naam van God, ten allen tijde geloofd, gezegend, bemind, aanbeden en verheerlijkt is, in de hemel, op de aarde en in de hel, door alle schepselen uit Gods handen voortgekomen, en door het H. Hart van Onze Heer Jezus Christus in het H. Sacrament des Altaars. Amen”. **

BELOFTEN VAN ONZE HEER JEZUS CHRISTUS TEN VOORDELE VAN DIEGENEN DIE ZIJN H. AANSCHIJN VEREREN

  1. Zij zullen in zich, door de indrukking van mijn mensheid, een levendige glans van mijn Godheid ontvangen, in het diepste van de ziel, zullen zij er door verlicht worden, zodat zij, door de gelijkheid met mijn Aanschijn, meer dan vele anderen, in de eeuwigheid zullen schitteren. (H. Gertrudis, Openbaringen 4e boek 7e hoofddeel.)
  2. De H. Mechtildis, aan onze Heer vragende, dat degenen die zijn H. Aanschijn. vereren, nooit zouden berooft worden van zijn aangenaam gezelschap, kreeg tot antwoord: “Geen enkele zal van mij gescheiden zijn.“ (H. Mechtildis van de Goddelijke genade 1e Boek, 13e Hoofddeel.)
  3. ,,Onze Heer”; zegde zuster Maria van St. Petrus, heeft mij beloofd, de trekken van zijn goddelijke gelijkenis te prenten, in de zielen van diegenen die zijn H. Aanschijn zullen vereren. (27 Januari 1848), ,,Dit aanbiddelijk Aanschijn, is als de stempel der Godheid, die de kracht heeft, om in de zielen, die Het vereren, het beeld Gods op nieuw te prenten.” (6 November 1845)
  4. ,,Door mijn heilig Aanschijn, zult gij wonderen doen.” (Onze Heer aan Zuster Maria van St. Petrus, 27 oktober 1845)
  5. ,,Gij zult door mijn H. Aanschijn de zaligheid van vele zondaars bekomen. Door dit offer zal u niets geweigerd worden wetende hoe aangenaam mijn Aanschijn aan mijn Vader is!” (22 november 1846)
  6. “Evenals men in een koninkrijk verkrijgt al wat men verlangt, met een geldstuk dat de afbeelding van de vorst draagt, zo ook zult gij met het kostbaar deel van mijn heilige mensheid, dat is met mijn aanbiddelijk Aanschijn, in het rijk der hemelen bekomen, al wat gij zult verlangen.” (29 oktober 1845)
  7. “Al wie mijn H. Aanschijn, in geest van eerherstel zal vereren zal daarin het werk doen dat de godvruchtige Veronica gedaan heeft.“ (27 oktober 1845.)
  8. “Volgens de zorg die gij zult hebben om mijn afbeelding, door de godslasteraars misvormd, te vereren, zal ik zorgen voor u, dat door de zonde misvormd is; ik zal er mijn beeld op nieuw in prenten, en ik zal het zo schoon maken als het was onmiddellijk na het H. Doopsel.” (Onze Heer aan Zuster Maria van St.Petrus,, 3 november 1845)
  9. “Onze Heer heeft mij beloofd”, zegt nog zuster Maria van St Petrus, “aan al degenen die dit werk van eerherstel door woorden, gebeden of schriften zullen ondersteunen”, dat Hij hen zou verdedigen bij zijn Vader, dat Hij bij hun dood, het aanschijn van hun ziel zal afwassen van de vlekken van de zonde, en hun de eerste schoonheid zal wedergeven. (12 Maart 1846)

De volgende uitgave zijn te verkrijgen bij de Broeders:

Kosten 1,00 Euro

Zie diverse afbeeldingen van het H. Aanschijn: http://www.holyfacedevotion.com/images.htm